Vlaams Woordenboek logo

Het Vlaams woordenboek


Index

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Log in

Registreer als nieuwe gebruiker om het Vlaamse Woordenboek op zijn best te kunnen gebruiken. Als ingelogde gebruiker kunt ge bijvoorbeeld nieuwe termen aan ons woordenboek toevoegen, andermans definities verbeteren, en reageren op bestaande definities.

Uw gebruikersnaam
Uw geheime paswoord

  • Log in
  • Wees welgekomen | Willekeurig | Top woorden | Recent

    frak

    De beschrijving van deze term werd 19 keer aangepast.

    Versie 19

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas, mantel, kledingstuk voor buiten

    Betekenis van frak in Nederland: lanpandige herenjas, rokjas.

    < van Frans frac of Duits Frack < Engels frock < Oud-Frans froc (monnikspij) < Frankisch hrokk 

    < Een frak was oorspronkelijk een net herenkledingstuk (op het bovenlichaam) dat elke dag gedragen kon worden. Bij de veranderende mode (lange jassen werden steeds gewoner) veranderde de betekenis van het woord frak in de 18e eeuw in het Zuid-Nederlandse taalgebied mee. In Nederland nam ‘jas’ deze rol over en evolueerde de betekenis van frak juist de andere kant op, tot een chic herenkledingstuk dat alleen bij bijzondere gelegenheden wordt gedragen. (etymologiebank)

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Kom! Doe je frakske aan! Het is flink kouder geworden!

    “Frak” was ook het zwarte kledingstuk, gedragen door de “suisse” (naar analogie met de Zwitserse wachten in het Vaticaan) in de kerk. Dat waren zwarte lange jassen zonder knopen, maar versierd met zwarte noppen op schouder en arm.

    Uitdrukkingen:
    - Uwe frak afdraaien is in Antwerpen: (een beetje tegen uw goesting) hard werken (als enige, soms met weinig appreciatie en resultaat). ‘k Zalle k’ik mijne frak wel afdraaien terwijl dat die ander in ’t café zitten.

    - Zo de wind waait, waait m’n frakse wordt gezegd van mensen die uit opportuniteit hun mening veranderen.
    Eerst was hij bij de sossen (de socialisten), nu zit hij bij de blauw omdat ze voorspellen dat die bij de verkiezingen gaan winnen: zo de wind waait, waait z’n frakske.

    - amai mijne frak: in het Engels: Oh my God
    Amai mijne frak ’t is warm.

    Provincie Antwerpen
    Bewerking door de Bon op 19 aug 2015 14:08
    9 reactie(s)

    Versie 18

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas, mantel

    vgl frakske, een ~ kouder zijn

    etymologiebank: frak zn. (BN)
    ‘kledingstuk voor buiten, overjas’; (NN) ‘langpandige herenrok’. Nnl. frac, frak ‘mansrok’: net gekleet,… in een Frak met zilveren lissen (WNT).
    Uitsluitend BN en Zuid-Nederlands dialectisch is de betekenis frak ‘overjas’ (1865-70; Schuermans), eerder al als fracque (1773; Lievevrouw-Coopman).
    Al dan niet via Duits Frack ‘herenrok’ (1774; Kluge21) ontleend aan Nieuwfrans frac ‘id.’ (1767; Rey), dat met herinterpretatie tot a van de destijds open uitgesproken o ontleend is aan Engels frock ‘id.’ (1719; OED) (in deze betekenis nu meestal frock-coat geheten).

    Een frak was oorspronkelijk een net herenkledingstuk (op het bovenlichaam) dat elke dag gedragen kon worden. Bij de veranderende mode (lange jassen werden steeds gewoner) veranderde de betekenis van het woord frak in de 18e eeuw in het Zuid-Nederlandse taalgebied mee. In Nederland nam ‘jas’ deze rol over en evolueerde de betekenis van frak juist de andere kant op, tot een chic herenkledingstuk dat alleen bij bijzondere gelegenheden wordt gedragen. (etymologiebank)

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Kom! Doe je frakske aan! Het is flink kouder geworden!

    “Frak” was ook het zwarte kledingstuk, gedragen door de “suisse” (naar analogie met de Zwitserse wachten in het Vaticaan) in de kerk. Dat waren zwarte lange jassen zonder knopen, maar versierd met zwarte noppen op schouder en arm.

    Uitdrukkingen:
    - Uwe frak afdraaien is in Antwerpen: (een beetje tegen uw goesting) hard werken (als enige, soms met weinig appreciatie en resultaat). ‘k Zalle k’ik mijne frak wel afdraaien terwijl dat die ander in ’t café zitten.

    - Zo de wind waait, waait m’n frakse wordt gezegd van mensen die uit opportuniteit hun mening veranderen.
    Eerst was hij bij de sossen (de socialisten), nu zit hij bij de blauw omdat ze voorspellen dat die bij de verkiezingen gaan winnen: zo de wind waait, waait z’n frakske.

    - amai mijne frak: in het Engels: Oh my God
    Amai mijne frak ’t is warm.

    Provincie Antwerpen
    Bewerking door de Bon op 19 aug 2015 13:55
    9 reactie(s)

    Versie 17

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas, mantel

    vgl frakske, een ~ kouder zijn

    etymologiebank: frak zn. (BN)
    ‘kledingstuk voor buiten, overjas’; (NN) ‘langpandige herenrok’. Nnl. frac, frak ‘mansrok’: net gekleet,… in een Frak met zilveren lissen (WNT).
    Uitsluitend BN en Zuid-Nederlands dialectisch is de betekenis frak ‘overjas’ (1865-70; Schuermans), eerder al als fracque (1773; Lievevrouw-Coopman).
    Al dan niet via Duits Frack ‘herenrok’ (1774; Kluge21) ontleend aan Nieuwfrans frac ‘id.’ (1767; Rey), dat met herinterpretatie tot a van de destijds open uitgesproken o ontleend is aan Engels frock ‘id.’ (1719; OED) (in deze betekenis nu meestal frock-coat geheten).

    Een frak was oorspr. een net herenkledingstuk (op het bovenlichaam) dat elke dag gedragen kon worden. Bij de veranderende mode (lange jassen werden steeds gewoner) veranderde de betekenis van het woord frak in de 18e eeuw in het Zuid-Nederlandse taalgebied mee.

    NL: een chic herenkledingstuk dat alleen bij bijzondere gelegenheden wordt gedragen (Lit.: Moerdijk 1979, 97-104).

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Kom! Doe je frakske aan! Het is flink kouder geworden!

    “Frak” was ook het zwarte kledingstuk, gedragen door de “suisse” (naar analogie met de Zwitserse wachten in het Vaticaan) in de kerk. Dat waren zwarte lange jassen zonder knopen, maar versierd met zwarte noppen op schouder en arm.

    Uitdrukkingen:
    - Uwe frak afdraaien is in Antwerpen: (een beetje tegen uw goesting) hard werken (als enige, soms met weinig appreciatie en resultaat). ‘k Zalle k’ik mijne frak wel afdraaien terwijl dat die ander in ’t café zitten.

    - Zo de wind waait, waait m’n frakse wordt gezegd van mensen die uit opportuniteit hun mening veranderen.
    Eerst was hij bij de sossen (de socialisten), nu zit hij bij de blauw omdat ze voorspellen dat die bij de verkiezingen gaan winnen: zo de wind waait, waait z’n frakske.

    - amai mijne frak: in het Engels: Oh my God
    Amai mijne frak ’t is warm.

    Provincie Antwerpen
    Bewerking door de Bon op 19 aug 2015 13:32
    9 reactie(s)

    Versie 16

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas, mantel

    vgl frakske, een ~ kouder zijn

    etymologiebank: frak zn. (BN)
    ‘kledingstuk voor buiten, overjas’; (NN) ‘langpandige herenrok’. Nnl. frac, frak ‘mansrok’: net gekleet,… in een Frak met zilveren lissen (WNT).
    Uitsluitend BN en Zuid-Nederlands dialectisch is de betekenis frak ‘overjas’ (1865-70; Schuermans), eerder al als fracque (1773; Lievevrouw-Coopman).
    Al dan niet via Duits Frack ‘herenrok’ (1774; Kluge21) ontleend aan Nieuwfrans frac ‘id.’ (1767; Rey), dat met herinterpretatie tot a van de destijds open uitgesproken o ontleend is aan Engels frock ‘id.’ (1719; OED) (in deze betekenis nu meestal frock-coat geheten).

    Een frak was oorspr. een net herenkledingstuk (op het bovenlichaam) dat elke dag gedragen kon worden. Bij de veranderende mode (lange jassen werden steeds gewoner) veranderde de betekenis van het woord frak in de 18e eeuw in het Zuid-Nederlandse taalgebied mee.

    NL: een chic herenkledingstuk dat alleen bij bijzondere gelegenheden wordt gedragen (Lit.: Moerdijk 1979, 97-104).

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Kom! Doe je frakske aan! Het is flink kouder geworden!

    “Frak” was ook het zwarte kledingstuk, gedragen door de “suisse” (swis) (naar analogie met de Zwitserse wachten in het Vaticaan) in de kerk. Dat waren zwarte lange jassen zonder knopen, maar versierd met zwarte noppen op schouder en arm. De “suiss” in de kerk deden mee met erediensten (droegen bv. vaandels) en moesten vroeger ook orde houden wanneer mensen teveel babbelden tijdens de mis (ze hadden daarvoor een stok om de mensen op de schouder te tikken). Deze mannen waren lid van de kerkgemeenschap en bestuurden de kerk mee, samen met de pastoor en behoorden tot de “notabelen” van de het dorp (bv. welstellende winkeliers).
    In de processie kwam den biskop binnen, dan de pastoor en de twee onderpastoors en dan de mannen met hunne frak.

    Uitdrukkingen:
    - Uwe frak afdraaien is in Antwerpen: (een beetje tegen uw goesting) hard werken (als enige, soms met weinig appreciatie en resultaat). ‘k Zalle k’ik mijne frak wel afdraaien terwijl dat die ander in ’t café zitten.

    - Zo de wind waait, waait m’n frakse wordt gezegd van mensen die uit opportuniteit hun mening veranderen.
    Eerst was hij bij de sossen (de socialisten), nu zit hij bij de blauw omdat ze voorspellen dat die bij de verkiezingen gaan winnen: zo de wind waait, waait z’n frakske.

    - amai mijne frak: in het Engels: Oh my God
    Amai mijne frak ’t is warm.

    Provincie Antwerpen
    Bewerking door fansy op 16 nov 2014 03:10
    9 reactie(s)

    Versie 15

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas, mantel

    vgl frakske, een ~ kouder zijn

    etymologiebank: frak zn. (BN)
    ‘kledingstuk voor buiten, overjas’; (NN) ‘langpandige herenrok’. Nnl. frac, frak ‘mansrok’: net gekleet,… in een Frak met zilveren lissen (WNT).
    Uitsluitend BN en Zuid-Nederlands dialectisch is de betekenis frak ‘overjas’ (1865-70; Schuermans), eerder al als fracque (1773; Lievevrouw-Coopman).
    Al dan niet via Duits Frack ‘herenrok’ (1774; Kluge21) ontleend aan Nieuwfrans frac ‘id.’ (1767; Rey), dat met herinterpretatie tot a van de destijds open uitgesproken o ontleend is aan Engels frock ‘id.’ (1719; OED) (in deze betekenis nu meestal frock-coat geheten).

    Een frak was oorspr. een net herenkledingstuk (op het bovenlichaam) dat elke dag gedragen kon worden. Bij de veranderende mode (lange jassen werden steeds gewoner) veranderde de betekenis van het woord frak in de 18e eeuw in het Zuid-Nederlandse taalgebied mee.

    NL: een chic herenkledingstuk dat alleen bij bijzondere gelegenheden wordt gedragen (Lit.: Moerdijk 1979, 97-104).

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Kom! Doe je frakske aan! Het is flink kouder geworden!

    Uitdrukkingen:
    - Uwe frak afdraaien is in Antwerpen: (een beetje tegen uw goesting) hard werken (als enige, soms met weinig appreciatie en resultaat). ‘k Zalle k’ik mijne frak wel afdraaien terwijl dat die ander in ’t café zitten.

    - Zo de wind waait, waait m’n frakse wordt gezegd van mensen die uit opportuniteit hun mening veranderen.
    Eerst was hij bij de sossen (de socialisten), nu zit hij bij de blauw omdat ze voorspellen dat die bij de verkiezingen gaan winnen: zo de wind waait, waait z’n frakske.

    - amai mijne frak: in het Engels: Oh my God
    Amai mijne frak ’t is warm.

    “Frak” was ook het zwarte kledingstuk, gedragen door de “suisse” (swis) (naar analogie met de Zwitserse wachten in het Vaticaan) in de kerk. Dat waren zwarte lange jassen zonder knopen, maar versierd met zwarte noppen op schouder en arm. De “suiss” in de kerk deden mee met erediensten (droegen bv. vaandels) en moesten vroeger ook orde houden wanneer mensen teveel babbelden tijdens de mis (ze hadden daarvoor een stok om de mensen op de schouder te tikken). Deze mannen waren lid van de kerkgemeenschap en bestuurden de kerk mee, samen met de pastoor en behoorden tot de “notabelen” van de het dorp (bv. welstellende winkeliers).

    In de processie kwam den biskop binnen, dan de pastoor en de twee onderpastoors en dan de mannen met hunne frak.

    Provincie Antwerpen
    Bewerking door fansy op 16 nov 2014 03:09
    9 reactie(s)

    Versie 14

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas, mantel

    vgl frakske, een ~ kouder zijn

    etymologiebank: frak zn. (BN)
    ‘kledingstuk voor buiten, overjas’; (NN) ‘langpandige herenrok’. Nnl. frac, frak ‘mansrok’: net gekleet,… in een Frak met zilveren lissen (WNT).
    Uitsluitend BN en Zuid-Nederlands dialectisch is de betekenis frak ‘overjas’ (1865-70; Schuermans), eerder al als fracque (1773; Lievevrouw-Coopman).
    Al dan niet via Duits Frack ‘herenrok’ (1774; Kluge21) ontleend aan Nieuwfrans frac ‘id.’ (1767; Rey), dat met herinterpretatie tot a van de destijds open uitgesproken o ontleend is aan Engels frock ‘id.’ (1719; OED) (in deze betekenis nu meestal frock-coat geheten).

    Een frak was oorspr. een net herenkledingstuk (op het bovenlichaam) dat elke dag gedragen kon worden. Bij de veranderende mode (lange jassen werden steeds gewoner) veranderde de betekenis van het woord frak in de 18e eeuw in het Zuid-Nederlandse taalgebied mee.

    NL: een chic herenkledingstuk dat alleen bij bijzondere gelegenheden wordt gedragen (Lit.: Moerdijk 1979, 97-104).

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Kom! Doe je frakske aan! Het is flink kouder geworden!

    Uwe frak afdraaien is in Antwerpen: (een beetje tegen uw goesting) hard werken (als enige, soms met weinig appreciatie en resultaat). ‘k Zalle k’ik mijne frak wel afdraaien terwijl dat die ander in ’t café zitten.

    Zo de wind waait, waait m’n frakse wordt gezegd van mensen die uit opportuniteit hun mening veranderen.
    Eerst was hij bij de sossen (de socialisten), nu zit hij bij de blauw omdat ze voorspellen dat die bij de verkiezingen gaan winnen: zo de wind waait, waait z’n frakske.

    amai mijne frak: in het Engels: Oh my God
    Amai mijne frak ’t is warm.

    “Frak” was ook het zwarte kledingstuk, gedragen door de “suiss” (naar analogie met de Zwitserse wachten in het Vaticaan) in de kerk. Dat waren zwarte lange jassen zonder knopen, maar versierd met zwarte noppen op schouder en arm. De “suiss” in de kerk deden mee met erediensten (droegen bv. vaandels) en moesten vroeger ook orde houden wanneer mensen teveel babbelden tijdens de mis (ze hadden daarvoor een stok om de mensen op de schouder te tikken). Deze mannen waren lid van de kerkgemeenschap en bestuurden de kerk mee, samen met de pastoor en behoorden tot de “notabelen” van de het dorp (bv. welstellende winkeliers).

    In de processie kwam den biskop binnen, dan de pastoor en de twee onderpastoors en dan de mannen met hunne frak.

    Provincie Antwerpen
    Bewerking door fansy op 16 nov 2014 03:08
    9 reactie(s)

    Versie 13

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas, mantel

    vgl frakske, een ~ kouder zijn

    etymologiebank: frak zn. (BN)
    ‘kledingstuk voor buiten, overjas’; (NN) ‘langpandige herenrok’. Nnl. frac, frak ‘mansrok’: net gekleet,… in een Frak met zilveren lissen (WNT).
    Uitsluitend BN en Zuid-Nederlands dialectisch is de betekenis frak ‘overjas’ (1865-70; Schuermans), eerder al als fracque (1773; Lievevrouw-Coopman).
    Al dan niet via Duits Frack ‘herenrok’ (1774; Kluge21) ontleend aan Nieuwfrans frac ‘id.’ (1767; Rey), dat met herinterpretatie tot a van de destijds open uitgesproken o ontleend is aan Engels frock ‘id.’ (1719; OED) (in deze betekenis nu meestal frock-coat geheten).

    Een frak was oorspr. een net herenkledingstuk (op het bovenlichaam) dat elke dag gedragen kon worden. Bij de veranderende mode (lange jassen werden steeds gewoner) veranderde de betekenis van het woord frak in de 18e eeuw in het Zuid-Nederlandse taalgebied mee.

    NL: een chic herenkledingstuk dat alleen bij bijzondere gelegenheden wordt gedragen (Lit.: Moerdijk 1979, 97-104).

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Kom! Doe je frakske aan! Het is flink kouder geworden!

    Uwe frak afdraaien is in Antwerpen: (een beetje tegen uw goesting) hard werken (als enige, soms met weinig appreciatie en resultaat). ‘k Zalle k’ik mijne frak wel afdraaien terwijl dat die ander in ’t café zitten.

    Zo de wind waait, waait m’n frakse wordt gezegd van mensen die uit opportuniteit hun mening veranderen.

    Eerst was hij bij de sossen (de socialisten), nu zit hij bij de blauw omdat ze voorspellen dat die bij de verkiezingen gaan winnen: zo de wind waait, waait z’n frakske.

    amai mijne frak: in het Engels: Oh my God
    Amai mijne frak ’t is warm.

    “Frak” was ook het zwarte kledingstuk, gedragen door de “suiss” (naar analogie met de Zwitserse wachten in het Vaticaan) in de kerk. Dat waren zwarte lange jassen zonder knopen, maar versierd met zwarte noppen op schouder en arm. De “suiss” in de kerk deden mee met erediensten (droegen bv. vaandels) en moesten vroeger ook orde houden wanneer mensen teveel babbelden tijdens de mis (ze hadden daarvoor een stok om de mensen op de schouder te tikken). Deze mannen waren lid van de kerkgemeenschap en bestuurden de kerk mee, samen met de pastoor en behoorden tot de “notabelen” van de het dorp (bv. welstellende winkeliers).

    In de processie kwam den biskop binnen, dan de pastoor en de twee onderpastoors en dan de mannen met hunne frak.

    Provincie Antwerpen
    Bewerking door leo-antonio op 14 nov 2014 17:59
    9 reactie(s)

    Versie 12

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas, mantel

    vgl frakske, een ~ kouder zijn

    etymologiebank: frak zn. (BN)
    ‘kledingstuk voor buiten, overjas’; (NN) ‘langpandige herenrok’. Nnl. frac, frak ‘mansrok’: net gekleet,… in een Frak met zilveren lissen (WNT).
    Uitsluitend BN en Zuid-Nederlands dialectisch is de betekenis frak ‘overjas’ (1865-70; Schuermans), eerder al als fracque (1773; Lievevrouw-Coopman).
    Al dan niet via Duits Frack ‘herenrok’ (1774; Kluge21) ontleend aan Nieuwfrans frac ‘id.’ (1767; Rey), dat met herinterpretatie tot a van de destijds open uitgesproken o ontleend is aan Engels frock ‘id.’ (1719; OED) (in deze betekenis nu meestal frock-coat geheten).

    Een frak was oorspr. een net herenkledingstuk (op het bovenlichaam) dat elke dag gedragen kon worden. Bij de veranderende mode (lange jassen werden steeds gewoner) veranderde de betekenis van het woord frak in de 18e eeuw in het Zuid-Nederlandse taalgebied mee.

    NL: een chic herenkledingstuk dat alleen bij bijzondere gelegenheden wordt gedragen (Lit.: Moerdijk 1979, 97-104).

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Kom! Doe je frakske aan! Het is flink kouder geworden!

    Uwe frak afdraaien is in Antwerpen: (een beetje tegen uw goesting) hard werken (als enige, soms met weinig appreciatie en resultaat). ‘k Zalle k’ik mijne frak wel afdraaien terwijl dat die ander in ’t café zitten.

    Zo de wind waait, waait m’n frakse wordt gezegd van mensen die uit opportuniteit hun mening veranderen.

    Eerst was hij bij de sossen (de socialisten), nu zit hij bij de blauw omdat ze voorspellen dat die bij de verkiezingen gaan winnen: zo de wind waait, waait z’n frakske.

    amai mijne frak: in het Engels: Oh my God
    Amai mijne frak ’t is warm.

    “Frak” was ook het zwarte kledingstuk, gedragen door de “suiss” (naar analogie met de Zwitserse wachten in het Vaticaan) in de kerk. Dat waren zwarte lange jassen zonder knopen, maar versierd met zwarte noppen op schouder en arm. De “suiss” in de kerk deden mee met erediensten (droegen bv. vaandels) en moesten vroeger ook orde houden wanneer mensen teveel babbelden tijdens de mis (ze hadden daarvoor een stok om de mensen op de schouder te tikken). Deze mannen waren lid van de kerkgemeenschap en bestuurden de kerk mee, samen met de pastoor en behoorden tot de “notabelen” van de het dorp (bv. welstellende winkeliers).

    In de processie kwam den biskop binnen, dan de pastoor en de twee onderpastoors en dan de mannen met hunne frak.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door leo-antonio op 14 nov 2014 17:23
    9 reactie(s)

    Versie 11

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas, mantel

    vgl frakske, een ~ kouder zijn

    etymologiebank: frak zn. (BN)
    ‘kledingstuk voor buiten, overjas’; (NN) ‘langpandige herenrok’. Nnl. frac, frak ‘mansrok’: net gekleet,… in een Frak met zilveren lissen (WNT).
    Uitsluitend BN en Zuid-Nederlands dialectisch is de betekenis frak ‘overjas’ (1865-70; Schuermans), eerder al als fracque (1773; Lievevrouw-Coopman).
    Al dan niet via Duits Frack ‘herenrok’ (1774; Kluge21) ontleend aan Nieuwfrans frac ‘id.’ (1767; Rey), dat met herinterpretatie tot a van de destijds open uitgesproken o ontleend is aan Engels frock ‘id.’ (1719; OED) (in deze betekenis nu meestal frock-coat geheten).

    Een frak was oorspr. een net herenkledingstuk (op het bovenlichaam) dat elke dag gedragen kon worden. Bij de veranderende mode (lange jassen werden steeds gewoner) veranderde de betekenis van het woord frak in de 18e eeuw in het Zuid-Nederlandse taalgebied mee.

    NL: een chic herenkledingstuk dat alleen bij bijzondere gelegenheden wordt gedragen (Lit.: Moerdijk 1979, 97-104).

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Kom! Doe je frakske aan! Het is flink kouder geworden!

    Uwe frak afdraaien is in Antwerpen: (een beetje tegen uw goesting) hard werken (als enige, soms met weinig appreciatie en resultaat). ‘k Zalle k’ik mijne frak wel afdraaien terwijl dat die ander in ’t café zitten.

    Zo de wind waait, waait m’n frakse wordt gezegd van mensen die uit opportuniteit hun mening veranderen.

    Eerst was hij bij de sossen (de socialisten), nu zit hij bij de blauw omdat ze voorspellen dat die bij de verkiezingen gaan winnen: zo de wind waait, waait z’n frakske.

    amai mijne frak: in het Engels: Oh my God
    Amai mijne frak ’t is warm.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door leo-antonio op 14 nov 2014 17:14
    9 reactie(s)

    Versie 10

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas, mantel

    vgl frakske, een ~ kouder zijn

    etymologiebank: frak zn. (BN)
    ‘kledingstuk voor buiten, overjas’; (NN) ‘langpandige herenrok’. Nnl. frac, frak ‘mansrok’: net gekleet,… in een Frak met zilveren lissen (WNT).
    Uitsluitend BN en Zuid-Nederlands dialectisch is de betekenis frak ‘overjas’ (1865-70; Schuermans), eerder al als fracque (1773; Lievevrouw-Coopman).
    Al dan niet via Duits Frack ‘herenrok’ (1774; Kluge21) ontleend aan Nieuwfrans frac ‘id.’ (1767; Rey), dat met herinterpretatie tot a van de destijds open uitgesproken o ontleend is aan Engels frock ‘id.’ (1719; OED) (in deze betekenis nu meestal frock-coat geheten).

    Een frak was oorspr. een net herenkledingstuk (op het bovenlichaam) dat elke dag gedragen kon worden. Bij de veranderende mode (lange jassen werden steeds gewoner) veranderde de betekenis van het woord frak in de 18e eeuw in het Zuid-Nederlandse taalgebied mee.

    NL: een chic herenkledingstuk dat alleen bij bijzondere gelegenheden wordt gedragen (Lit.: Moerdijk 1979, 97-104).

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Kom! Doe je frakske aan! Het is flink kouder geworden!

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 14 mei 2014 00:04
    9 reactie(s)

    Versie 9

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas, mantel

    vgl frakske, een ~ kouder zijn

    herkomst: mogelijks van het Fr. frac, lange mantel met slippen (zie ook Eng: frock, Dui: Frack)

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Kom! Doe je frakske aan! Het is flink kouder geworden!

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door fansy op 13 mei 2014 23:51
    9 reactie(s)

    Versie 8

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas

    herkomst: mogelijks van het Fr. frac, lange mantel met slippen (zie ook Eng: frock, Dui: Frack)

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door LimoWreck op 06 mrt 2010 16:23
    9 reactie(s)

    Versie 7

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas

    herkomst: mogelijks van het Fr. frac, lange mantel met slippen

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Grytolle op 11 feb 2010 08:04
    9 reactie(s)

    Versie 6

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    herkomst: mogelijks van het Fr. frac, lange mantel met slippen.

    jas

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door de Bon op 29 sep 2009 13:55
    9 reactie(s)

    Versie 5

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Grytolle op 24 feb 2009 02:26
    9 reactie(s)

    Versie 4

    frak
    (de ~ (m.), ~ken)

    jas

    Het begon te regenen, maar ik was mijnen frak vergeten.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Grytolle op 15 mei 2008 15:06
    9 reactie(s)

    Versie 3

    frak
    (de ~ (m), ~ken)

    jas

    Het begon te regenen, maar ik was mijnen frak vergeten.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Grytolle op 03 feb 2008 14:02
    9 reactie(s)

    Versie 2

    frak
    (de ~ (m), ~ken)

    jas

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door Grytolle op 03 feb 2008 14:02
    9 reactie(s)

    Versie 1

    frak

    jas

    Het begon te regenen, maar ik was mijne frak vergeten.

    Gans Vlaanderen
    Bewerking door aliekens op 16 sep 2007 00:08
    9 reactie(s)

    Hulp gezocht!
    Wil je graag meebouwen aan de taalatlas van de Nederlandse taal?
    Taalverhalen zoekt nieuwe vaste correspondenten voor haar mini taalonderzoekjes.

    Leer je Nederlands?
    NedBox.be is een gratis website om op een leuke manier Nederlands te oefenen, via tv-fragmenten en krantenartikels.

    Het Vlaams woordenboek  |  Concept en realisatie door Anthony Liekens

    Creative Commons License

    Het Vlaams Woordenboek by Anthony Liekens is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial-ShareAlike 4.0 International License.