Definitie

Status:Onbekend

  1. gereedschap, uitrusting, gerei, spullen
    eetgerief; eet- en drinkgerief; drinkgerief; fietsgerief; huisgerief, kantoorgerief, kampeergerief, kappersgerief; kookgerief, keukengerief, knutselgerief, kuisgerief, naaigerief, rookgerief; scheergerief, schildersgerief, schoolgerief, schrijfgerief, slaapgerief, sportgerief, strandgerief; tekengerief, toiletgerief, tuingerief, turngerief, visgerief, zwemgerief,...

DS2015 geen standaardtaal
taaladvies.net: standaardtaal in België

zie ook goed gerief; schoon gerief; gerief, dat is een ~

  1. mannelijke geslachtsdelen

Van Dale online: gerief: (1376-1400 ‘genot, voordeel, winst’)
etymologie onzeker, wel te verbinden met Middelnederlands r?ve (mild, overvloedig)

BE be­no­digd­he­den: ge­rei
ook als twee­de lid in sa­men­stel­lin­gen als de vol­gen­de, waar­in het eer­ste lid een han­de­ling of een werk­ter­rein noemt:
bakgerief, borduurgerief, bouwgerief, douchegerief, hengelgerief, kampeergerief, klimgerief, rookgerief, voetbalgerief, werkgerief, zitgerief

Voorbeelden
  1. Ik zal mijn gerief pakken om uwen band te plakken.
    Doet dat computergerief eens van de tafel af, we gaan eten.

  2. Politie vindt gerief voor plantage (Turnhout) - De Standaard

  3. Zijn broek spant zodanig dat je duidelijk zijn gerief ziet zitten.

Goed gerief moet onder een afdak hangen.

Toegevoegd door aliekens - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 07 Sep 2025 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025