hout

het ~, geen mv. onz. zelfst. nw.
Definitie

Status:Onbekend

bos

in de Antwerpse Kempen nog in deze betekenis gebruikt in een paar vaste woordgroepen ingeluid door een voorzetsel - in het hout, naar het hout -, waarschijnlijk verouderd

in het hele Nederlandse taalgebied als onderdeel van plaatsnamen (Haarlemmer Hout, Leidse Hout, Meerhout, Torhout, Turnhout...)

Voorbeelden

In de winter ging ik samen met mijn vader naar het hout om boonstaken en stookhout te kappen.

  • Waar zit onze va?
  • In 't hout, hij is terug tegen de noen.

Toegevoegd door Marcus - VL-WBK 1.0

Gepubliceerd op 11 Jul 2021 Laatst bijgewerkt op 18 Dec 2025