gruw

Zelfstandig naamwoord m.; ~en
Definitie

Status:Geen standaardtaal

afkeer, het gruwen van

Voorbeelden

Hij was eens een week thuis geweest, en ik moest hem dan terugdragen en hij had een gruw van die vrouw. (kuleuven.be)

"'t Eerste zicht wekt een gruw en een ontroering," noteerde Streuvels. (openjournals.ugent.be)

De interesse was gewekt, zeker omdat er ook gepraat werd over coaching (wat ik ook zeker zie zitten, ooit, in de toekomst) en omdat ik een gruw heb om met mensen te werken waar er GEEN hoek af is. (krijtlijn.be)

Maar, vermits de Napoleontische oorlogen nog maar 15 jaar achter de rug waren was die optie voor de Britten een gruw.(forum.politics.be)

Bronnen & Referenties
Typisch Vlaams (Ludo Permentier en Rik Schutz)

een gruw hebben van: gruwen van, een afkeer hebben van: Geen Algemeen Nederlands: Gangbaarheid: 3; Vlaamsheid: 1

Toegevoegd door Georges Grootjans

Gepubliceerd op 16 Jan 2026 Laatst bijgewerkt op 16 Jan 2026