zwijgen, ’t ~ is aan haar of hem uitdr.
als iemand "de splinter in het oog van een ander ziet, maar niet de balk in zijn eigen oog"
als iemand "de splinter in het oog van een ander ziet, maar niet de balk in zijn eigen oog"
er een zwijneboel van maken, uiterst onbeschoft zijn
NL: er een beestenboel van maken
Limburg: zwijnebende
prov. Antwerpen: het varken uithangen
Het evenwicht verliezen, duizelig of dronken zijn.
Volgens het Woordenboek der Nederlandsche Taal mogelijks gelieerd aan ‘zwijn’, wegens associatie met dronkenschap.
gelukje op het juiste moment = ook piet hebben
meestal gebruikt in sport - spel - kansspelen
zie ook varkens maken