Registreer als nieuwe gebruiker om het Vlaamse Woordenboek op zijn best te kunnen gebruiken. Als ingelogde gebruiker kunt ge bijvoorbeeld nieuwe termen aan ons woordenboek toevoegen, andermans definities verbeteren, en reageren op bestaande definities.
kwaad, boos
Van Dale 1995: gewestelijk
Van Dale 2018: dul
< 1599, verkort uit duil
3. niet algemeen boos
Je moet je niet dul maken, er is niets gebeurd.
> andere betekenis van dul
Brak is het Antwerps/Kempisch (jeugd) woord voor de staat na de dronkenschap, ook wel de kater genoemd. Kan ook staan voor zware vermoeidheid.
“Kzen echt zo brak, kheb al twee keer moete spauwen.”
“Heel den dag gewerkt, kzen brak !”
“Bert, ge hed echt den brakste kop van vlaanderen”
> andere betekenis van brak
1. heel zout: ‘zo zout als brak’ (in deze uitdrukking ook gebruikt in Antwerpen stad)
2. zuur, uitdr.: brak, zo zuur als ~.
3. goor
4. zoet: zie zo zoet als brak
1. Dat water van de patatten is precies brak. Hoeveel zout hebt ge erin gedaan?
2. Kapt (kappen) die pap maar weg, die is brak.
3. Dat afwaswater is brak, laat maar proper water lopen voor de potten af te wassen.
De aquarium van dien ouwe veva moet dringend ververst worden. Het water is brak geworden. Ge ziet de vissen amper zwemmen.
> andere betekenis van brak
1. de staat na de dronkenschap, een kater = SN
2. zware vermoeidheid, oep zijn
3. lelijk
1. “Kzen echt zo brak, kheb al twee keer moete spauwen.”
2. “Heel den dag gewerkt, kzen brak !”
3. “Bert, ge hed echt den brakste kop van vlaanderen”
> andere betekenis van brak
kwajongen, straatbengel
brakkevolk, braker(m.)-braak (v.)
(woord is verouderd in genoemde regio)
in Lier wordt dit nog gebruikt: ook brakkejoeng
(vroeger zong men) De school is uit, de school is uit, de brakken komen truit!
> andere betekenis van brak
Nieuwe versie!
Er is een nieuwe versie van het Vlaams Woordenboek online. Mocht je problemen ondervinden, gelieve deze te melden op onze
GitHub.